We gaan twee keer per jaar met de Achterhoekse vriendengroep op stap. Het oorspronkelijke plan was: reizen per trein naar Duitsland om industrieel erfgoed te bekijken in het Ruhrgebied. Veel voormalige mijnen, staalfabrieken en textielfabrieken zijn omgevormd tot parken, musea en culturele centra, zoals de Zeche Zollverein in Essen en het Landschapspark Duisburg. Wat bereisbaar is in een dag hebben we inmiddels gezien, dus verbreden we de horizon in eigen land. We zagen indrukwekkend erfgoed en toch ben ik blij dat we nu in eigen land kunnen ronddwalen door oude steden. Het Ruhrgebied is tijdens de Tweede Wereldoorlog zwaar gebombardeerd. Van de (binnen)steden bleef meestal weinig over. In maart bezochten we het prachtige Amersfoort en zondag waren we in Utrecht. Onze stadsgids liet ons plekken zien die me totaal waren ontgaan toen ik er woonde. Mij viel de rust op in de steegjes, hofjes en kloostertuinen. De meeste Achterhoekers concludeerden: Utrecht is hartstikke leuk voor een dag, maar ze zouden er nooit willen wonen. Veel te druk.

Dat herken ik niet. Hoe meer levendigheid (en oude stenen) hoe beter. Hoe goed ik me ook heb aangepast in de Achterhoek (vind ik zelf), maar ik kan mijn afkomst niet verloochenen. Ik woonde in Haarlem, Antwerpen, Utrecht en Amsterdam voor ik Boer ontmoette. De uitdrukking ‘je haalt het meisje wel uit de stad, maar de stad niet uit het meisje’, gaat echt op voor mij. Als ik in Amsterdam verblijf, pak ik meteen mijn stadse leefstijl op. Naar een museum of film om de hoek, ontbijtje op de Overtoom met een vriendin, lunch in de Markthal, koffie in de bibliotheek met uitzicht op de stad, lezing in de Balie. Als ik weer op de boerderij ben, geniet ik van de natuur, rust en ruimte in de Achterhoek. Stad en platteland gaan al jaren hand in hand.