Ik reed met Boer rond in Zeeland. Overal zagen we grote percelen met suikerbieten, kolen en uien: de vruchtbare kleigrond is ideaal voor akkerbouw. Boer wees: „Kijk een bietenrooier en een 6-schaar ploeg”, en: „Die boer zaait wintertarwe.” Ik werd getest op basiskennis: „Welk merk trekker is dat?” Met ‘een groene met vier wielen’ nam hij geen genoegen. „Wat is dat?” „Boerenkool denk ik?” Met verbazing over zoveel onwetendheid: „Dat is nou broccoli.” Ik vond het knap dat ik er een koolsoort in zag (vroeger had ik gezegd: ‘iets eetbaars’). Wat mij opviel: de oudere boeren in de trekkers. Ik las in een vakblad over de vergrijzing, vooral onder akkerbouwers. En er stoppen veel boeren omdat ze geen opvolger hebben. De EU wil met gunstige leningen en belastingvoordelen boerenkinderen verleiden hun ouders op te volgen. Waarom zou je elke dag werken voor een salaris dat je in vier dagen op kantoor kunt verdienen? Dan moet je heel graag willen. Leefbaarheid op het platteland komt in gevaar: naast voedselproducenten zijn boeren nodig als landschapsbeheerders en spelen ze een cruciale rol in het verbeteren van biodiversiteit.

Het Europees Gemeenschappelijk Landbouwbeleid wordt hervormd. Lidstaten krijgen meer vrijheid om te bepalen hoeveel budget naar landbouw gaat en kunnen naar eigen inzicht middelen overboeken van landbouw naar andere prioriteiten. Elk jaar een ander inzicht? Langetermijnvisie is nodig. We wisselen vaker van ministers dan van schoenen. Wat jonge boeren nodig hebben is investeringszekerheid om meerjarige verplichtingen aan te gaan voor innovaties op het gebied van klimaat, natuur of waterkwaliteit. Zodat Europa een sterk landbouwcontinent blijft: afhankelijkheid van landen als Rusland en China is linke soep.

Bedenk goed wat je met je laatste boeren doet.