Ik moest ooit op school een werkstuk maken met de titel: ‘Wat ik later worden wil’. Ik schreef op dat ik minstreel of troubadour wilde worden. Ik zag voor me hoe ik met wapperende vlechten op een paard in verre landen rondreisde van dorpen naar kastelen om op te treden. Ik vertelde verhalen, zong en bespeelde snaarinstrumenten. Nar worden leek me ook leuk: chagrijnige koningen aan het lachen maken. Een combibaan als troubanar zag ik ook wel zitten. Mijn motivatie voor dit beroep: optreden, reizen en interessante mensen ontmoeten. En de belangrijkste reden: ‘Dan hoef ik niet elke dag naar hetzelfde saaie kantoor met tl-verlichting. School is al erg genoeg.’ Ik kreeg als commentaar: ‘Grappig fantasieverhaal maar nu opnieuw en serieus.’ De boodschap was duidelijk: Creativiteit is leuk, maar niet serieus te nemen. Mijn klasgenoten wilden dokter, advocaat of orthodontist worden. Als ik het teruglees is het een maf verhaal, maar wel serieus bedoeld. Ik wilde op pad en optreden. Het was fijn geweest als de docent met me mee had gedacht over een beroep dat bij mij paste: niet bij hem.
Na vele omzwervingen via ‘normale’ studies en banen heb ik toch een beroep gecreëerd voor mezelf waarvoor ik op pad kan om verhalen te vertellen en liedjes te zingen. Niet alles is even romantisch. Ik rijd niet met wapperende haren rond op een paard, maar sta vaak stil tussen andere auto’s op snelwegen. Ook speel ik iets te vaak kantoortje naar mijn zin (offertes, btw, website). Saai is het niet. Ik had opdrachten in Limburg en trakteerde mezelf op een hotel in het witte stadje Torn. Ik wandelde (met een staart in mijn haar, geen vlecht) door het mooie landschap, bezocht een kasteel en ontmoette interessante mensen zoals Jacques Vriens, de beroemde jeugdboekenschrijver. En reisde weer verder.