Ik ben geen voorloper op het gebied van technologische innovaties. Steeds meer Nederlanders zetten met een app vanuit de auto de verwarming hoger, schakelt lichten in huis vast aan, krijgen melding op de telefoon als er iemand in de tuin loopt en bewegingssensoren zorgen ervoor dat verlichting aangaat als ze de trap oplopen.
Ik ben hopeloos ouderwets: bij thuiskomst moet ik iets doen met een schakelaar om licht te krijgen. Ik paste laatst op mijn achternichtje van vijf. Ze wilde Laat het los uit de Disneyfilm Frozen horen.
Op youtube vond ik het liedje en probeerde via bluetooth geluid uit een box te krijgen. Ik vond mezelf heel wereldwijs omdat ik wist dat bluetooth bestond. Terwijl ik aan het prutsen was riep het nichtje: ‘Duurt lang. He google, speel Laat het los.’ Terwijl ze aan het dansen was riep ze: ‘He google, zet het volume op 70 procent.’ Later, in de duinen zag ze een beestje. ‘Vraag eens aan je telefoon wat het is.’ Het kind leerde me hoe ik Google lens moet gebruiken. Het bleek een zandhagedis.
Nu ben ik verslaafd. Toen ik met boeren in Zweden was lepelde ik onderweg feiten op: hoeveelheid inwoners, oppervlakte en het aantal boerenbedrijven. Ik wees op koeienrassen (dankzij Boer weet ik het verschil tussen Holstein, Witrik en Lakenvelders.) Bij granen krijg ik het moeilijker: haver, tarwe, rogge of toch gerst? Gelukkig had ik Google lens. In kassen en weilanden richtte ik mijn camera op planten, bomen, groenten en fruit. Leve de technologie. In restaurants fotografeerde ik Zweedse menu’s en kreeg meteen de Nederlandse vertaling te zien. ‘Ze spreekt ook Zweeds,’ hoorde ik iemand zeggen.
Ik laat mensen graag in de waan. Een paardenliefhebber wilde weten wat voor paardenras we zagen. Snel richtte ik de lens op het paard: ‘Dit ziet eruit als een donkerbruin paard.’
‘Ik weet het niet,’ moest ik toegeven.’’ Het voelde als falen.