De reis met Nederlandse agrariërs door Zweden en Denemarken zit erop. De buurlanden zijn totaal verschillend. Het Zweedse landschap met de kenmerkende rode huizen, bestaat voor 54 procent uit bossen, meren en bergen en maar 9 procent van het land is in gebruik voor landbouw. Dat maakt de agrarische sector zeer extensief. Logisch: Zweden is veel groter dan Nederland en heeft maar 10 miljoen inwoners.

In Denemarken is 61 procent van de grond in gebruik voor landbouw (hier 54 procent). De landbouwsector is grootschalig, efficiënt en gericht op export. Net als Nederland. Met dit grote verschil: er wonen 6 miljoen mensen.

We bezoeken het melkveebedrijf van familie Fokkink. Het stel verruilde de Achterhoek in 1998 voor Jutland. Het toeval wil dat Boer ooit melkles gaf aan Gert-Jan Fokkink toen die op de landbouwschool in Doetinchem zat. Het stel zag hetzelfde gebeuren als in Nederland. Alle kleine boeren verdwenen: die redden het financieel niet.

We lopen langs eindeloze percelen vol granen: ‘We verbouwen geen mais meer. De buren zijn blij. Ze vonden het zo donker. Nu kunnen ze weer van zich afkijken.’ Buren, welke buren? Je kunt door onze ogen zo ver van je afkijken dat je pijn krijgt van het turen. Wat de landen gemeen hebben: er worden steeds meer schapen, pony’ en kalveren gegrepen door wolven. Zweden, het land met de strengste dierenwelzijnswetten, staat meer jacht toe om het aantal wolven omlaag te brengen. Familie Fokkink boert biologisch. Waar weidegang bij hoort. Het jongvee stond binnen toen ze controle kregen. ‘Wolven zeker?’ vroeg de inspecteur. Laat je je beesten buiten scharrelen, vallen wolven je kalveren aan. Die denken niet: Die aardige boer laat zijn kalfjes lekker buiten spelen, die pak ik niet. Zou flauw zijn.

En zo zitten we elkaar overal in de weg. Of je nou ruimte hebt of niet.