De maïs is eraf. De buurt kan weer van zich afkijken.

Dassen vonden het ook de hoogste tijd en besloten een pootje te helpen. Ze trokken vele maisplanten naar de grond: dassen zijn dol op zoete maiskolven. Boer verbouwt sinds de koeien weg zijn gewassen voor melkveehouders in de buurt en gunt hen goede oogsten. We doen vaak inspectierondjes langs de percelen. Laatst bleef Boer staan en speurde als een Sherlock Holmes rond: “Ik zie sporen, daar een glijbaan en aan het puntdraod hangen haren.” Het hadden wat mij betreft haren van een haas, man of hond kunnen zijn maar Boer kent zijn pappenheimers. Hij struinde het bos in. “Hier zitten ze.’’ Ik zag een grote dassenburcht. Later zagen we  meer dassenactiviteiten: de maïs werd één pretpark.  Sommigen boeren experimenteren met het inzaaien van delen van een perceel met ultravroege maïs waardoor dassen afgeleid worden en de rest van de mais minder wordt aangetast.  Boeren moeten leven met schade aan gewassen en opbrengstverliezen. Dat is altijd zo geweest. Als dassen voor gevaarlijke situaties zorgen wordt het anders. Dassen graven graag onder het spoor. Het treinverkeer ligt regelmatig stil omdat het spoor hersteld moet worden en dassen verplaatst naar natuurgebieden. Waarschijnlijk zegt een aardige ecoloog: “Als jullie nou hier blijven wonen, dan kunnen wij veilig met de trein.” Dieren zijn enig maar een goed gesprek zit er niet in. Begrijpelijk. Als ik das was zou ik ook teruggaan naar het spoor. Al was het maar om te klieren. Zo leuk is de mensheid nou ook weer niet. Het is pappen en nathouden. Dassen zijn gravers en zullen blijven graven.

We moeten accepteren dat samenleven met dieren geld kost. In het geval van de das dat treinkaartjes duurder worden. Schade door dassen kost miljoenen euro’s per jaar.