Ik verblijf een aantal dagen in mijn Amsterdamse woning. Ik volg samen met een huisgenoot, een Iraanse vrouw, het nieuws.

Ze kwam lang geleden naar Nederland om te studeren en bleef voor de liefde, werk en vrijheid die ze in Iran niet kende. Sinds de protesten en bombardementen kan ze nauwelijks contact krijgen met familie en vrienden in Iran. We zien Nederlandse Iraniërs op straat de dood van ayatollah Khamenei en andere prominenten vieren. Velen onder hen vestigen hun hoop op Reza Pahlavi, de zoon van de in 1979 afgezette sjah. Vanuit de VS wakkert de voormalige kroonprins de protestgolf in Iran aan: ‘Ik rust niet voordat Iran een door het volk gekozen democratische regering heeft.’

Mijn huisgenote is niet in juichstemming: ‘Demonstranten zijn vooral bezig met wat ze níét willen. Ze klampen zich aan Pahlavi vast, maar voor veel Iraniërs is hij te besmet. Onder het bewind van zijn vader was Iran een seculiere staat en vrouwen hadden het beter, maar politieke tegenstanders werden geëxecuteerd en gemarteld, net als nu onder de baardmannen. Ik twijfel aan zijn democratische beloftes. Hij lijkt niet bereid tot samenwerking met andere oppositiegroepen.’

Ze beloofde haar oude moeder ooit dat ze terugkomt. ‘Ik heb gelogen. Ik zie de toekomst somber in voor mijn land. Het is te verdeeld en mentaliteit kun je niet bombarderen. De Revolutionaire Garde zit diep in alle haarvaten van de samenleving. Een snelle ineenstorting van het regime is niet waarschijnlijk, grote interne onrust en een langdurige crisis in de regio is reëler.’

Om toch iets hoopvols te zeggen citeert ze de dertiende-eeuwse dichter Rumi: (zoals alle Iraniërs die ik ontmoette tijdens reizen, kent ze veel gedichten uit het hoofd) ‘Voorbij ideeën over goed en kwaad is een veld. Daar zal ik je ontmoeten.’